Bert Brandsma - clarinet & saxophones

Articles in Dr. Jazz Magazine

Bert Brandsma regularly writes articles and CD reviews for music magazines like Dr. Jazz Magazine, de Klarinet and de Bob Evers Nieuwsbrief. Here you can find several longer stories, that have been published in one of these magazines. 


Bobs Bronnen (2) : 
Allerlei achtergronden omtrent Stampij om een schuiftrompet
Bert Brandsma

In de loop der jaren is nogal eens gespeculeerd over het jaartal waarin het avontuur van het driemanschap Roos/Prins/Evers met Peter Schilperoort en de Dutch Swing College Band zich afspeelt. Een aantal hints daaromtrent zijn uiteraard te vinden in het boek zelf, oorspronkelijk uitgebracht in 1959. De bewerkte versie uit de pockets (Ik bezit een elfde druk pocket en een eerste druk hardcover) meldt dat Schilperoort het orkest een tijdje uitleende aan pianist Joop Schrier. Schilperoort, die in 1945 (met onder andere de in september 2016 overleden slagwerker Tonnie Nüsser) de band had opgericht, verliet het orkest eind ’55 en kwam terug rond 1960, toen het beroeps werd. Subtiel verschil tussen de eerste en elfde drukken is dan ook dat in de eerste druk staat: „... waarna hij het ganse orkest overdeed aan pianist Joop Schrier.” In ’59 was kennelijk nog niet bij Van der Heide bekend dat Schilperoort spoedig zou terugkeren en ook weer het leiderschap zou overnemen.
Omdat pianist Schrier in het boek wordt voorgesteld als orkestleider blijkt uit deze gegevens dus al dat het verhaal ergens tussen ’55 en ’59 moet spelen.
In „Een vliegtuigsmokkel met verrassingen” (ook uit 1959) komt Peter Schilperoort ook al even voor: Arie Roos hoort zijn naam en vraagt: „Schilperoort?” ... „Bent u Peter Schilperoort?... Van het Dutch Swing College?” Waarop in de eerste editie van het boek het antwoord volgt: „Vroeger van het Swing College.”
Wat lichtelijk verwarrend werkt, is dat Willy van der Heide nogal eens spreekt over beroepsmusici. Dit klopt niet helemaal; Buma, Kesber, Kolstee en Schrier hebben allen het orkest verlaten in een relatief kort tijdsbestek eind ’59, omdat ze juist niet volledig beroepsmuzikant wilden worden.
Vóór 1960 bestond het gezelschap hoofdzakelijk uit bevlogen liefhebbers die merendeels aan het studeren waren voor veelbelovende maatschappelijke carrières. Wel was de band al erg succesvol: in 1953 stond ze hoog in de hitparade met het de single Doctor Jazz, gezongen door gastzangeres Neva Raphaello. Ik ben er overigens van overtuigd dat de heren een aantrekkelijke bijverdienste aan het orkest hadden. Op weekdagen studeren, in het weekend op pad met de band, zal min of meer de routine zijn geweest.



De Dutch Swing College Band in de bezetting van „Stampij”:
v.l.n.r. Bob van Oven (
contrabas), Joop Schrier (piano), André Westendorp (drums), Dim Kesber (klarinet), Peter Schilperoort (klarinet), Arie Ligthart (banjo), Wybe Buma (trompet) en natuurlijk Wim Kolstee (met de uit de titel bekende „schuiftrompet”, maar waarschijnlijk zonder diamanten; in werkelijkheid gaat het hier om een trombone).


In „Stampij om een Schuiftrompet” komt een aantal namen van bekende jazzmusici voorbij zoals Louis Armstrong, twee maal Chris Barber en Sidney Bechet wordt zelfs driemaal genoemd.
Deze namen lijken terloops genoemd te worden, maar er zit meer achter. In 1959, het jaar dat het boek uitkwam, beleefde de band van de (in 2016 nog immer actieve) Britse trombonist Chris Barber het toppunt van zijn roem. Hij had op dat moment een wereldhit: niet alleen in tal van Europese landen, maar zelfs in de Verenigde Staten stond zijn orkest hoog in de hitlijsten. De titel van kant A was: Petite Fleur, met in de hoofdrol klarinettist Monty Sunshine en de B zijde was Wild Cat Blues. Sunshine had het nummer Petite Fleur gehoord tijdens een vakantie in Spanje en het plaatje van de oorspronkelijke componist meegenomen naar Engeland en daar ingestudeerd. De componist van Petite Fleur is Sidney Bechet, die bovendien ook nog als saxofonist te horen is op de eerste opname van Wild Cat Blues uit 1923! Kleine anekdote: Monty Sunshine’s platenspeler draaide te snel, waardoor hij het een halve toon hoger heeft opgenomen dan Bechet, dat werd vervolgens die hit!

Sidney Bechet (1897 - 1959) was geboren in New Orleans en met Louis Armstrong één van de eerste belangrijke solisten uit de vroege periode van de jazz, of je het nu New Orleans Jazz wilt labelen of Dixieland. In de jaren ’20 was hij erg succesvol, maar verloor nogal wat geld door de Wall Street Crash in 1929. Daarna vertrouwde hij de banken nooit meer en liep altijd rond met legendarische vermogens aan cash en andere waardevolle zaken.
In de jaren ’20 was Bechet al verschillende malen op tournee geweest naar Europa, in 1950 vestigde hij zich permanent in Frankrijk, vandaar ook de Franse titels voor meerdere van zijn composities zoals Petite Fleur, maar ook Dans Les Rues d’Antibes.
In Europa had zijn aanwezigheid grote impact op de hier bestaande orkesten, in Engeland dus op Sunshine/Barber, in Frankrijk speelde hij veel met Claude Luter, in Nederland maakte hij vanaf 1949 opnamen met de Dutch Swing College Band en trad soms op als gastsolist.

Toen de Barber/Sunshine-single van Petite Fleur (opname al uit 1956) een hit begon te worden, was Peter Schilperoort er als de kippen bij om ook zijn versie vast te leggen, niet met de DSC waar hij toen immers even geen deel van uitmaakte, maar met zijn eigen kwintet.
Omdat de samenstelling van de hitparade destijds wat anders verliep dan heden ten dage, het ging alleen om de naam van de compositie, welke uitvoering maakte even niet uit, stonden Chris Barber en Peter Schilperoort korte tijd gezellig samen op plaats één in de Nederlandse hitparade. Barber zelfs in totaal 2 maanden. Ironie van het verhaal, Schilperoorts kwintet stond hierdoor op een hogere notering dan het DSC ooit haalde.

Waarschijnlijk is dit succes van Schilperoort een belangrijke oorzaak geweest waardoor de DSC Band professioneel kon worden vlak voor 1960, toen hij terugkeerde. Dit alles mede ondersteund door Philips, dat toen nog een platenlabel had en het orkest gelijk inzette tijdens een maandenlange promotietour naar Latijns Amerika.

Voor de verdere verkleining van de mogelijke tijdsruimte van ons avontuur ben ik vervolgens gaan kijken naar de namen in de bezetting van de band. Jan Morks was orkestlid, maar „toevallig” ziek tijdens het boek, verder speelden: Buma, Kolstee, Kesber, Van Oven, Ligthart, Schrier en Westendorp. De geniale klarinettist Morks was als laatste van deze namen toegetreden in de loop van 1955, als opvolger van Schilperoort. Hij kwam van de in het boek ook genoemde orkest de Dixieland Pipers, dat gezien kan worden als een kweekvijver van het DSC. De eerste van deze namen die het orkest verliet, was drummer André Westendorp, die op 11 juni 1957 emigreerde naar de Verenigde Staten om als medicus te gaan werken. Dit gegeven verkleint onze speurtocht belangrijk naar de periode ’55 - juni ’57.

Wat het dan weer even lastig maakt, is dat van der Heide al in de eerste druk meldt: „... hoewel de spoorwegen al sinds jaren geen steenkool meer gebruiken.” De NS zijn echter in januari 1958 pas volledig gestopt met het inzetten van stoomtreinen. Toen het boek uitkwam, was het dus nog maar net het geval; toen het verhaal speelde, moet het gebruik van stoom op zijn laatste benen hebben gelopen. Wel past dat zinnetje geweldig bij het steenkolen-Engels van de conducteur, typisch gevalletje Van der Heide-humor, zou ik zeggen. (In 2015 heeft de NS in Hoorn zelfs nog een beroep moeten doen op stoom om een intercity te redden, toen de bovenleiding gebroken was en er in geen velden of wegen een diesel voorhanden was!)

Het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Den Haag leek een ander mogelijk aanknopingspunt. Dit zou later ook blijken, maar niet zoals ik in eerste instantie dacht. In de pocketeditie wordt vermeld dat het later is afgebrand. Dat jaartal blijkt echter eind 1964 te zijn geweest, dus pas na de eerste editie van het boek, waar dat gegeven niet eens in vermeld kon staan.

Dan zijn er uiteraard nog verschillende interviews met direct betrokkenen. Zo bestaat er een documentaire op DVD over de DSC Band, waarin verschillende oud-leden aan het woord komen. Daarin verklaart Wybe Buma onder meer dat het voor Schilperoort niet makkelijk geweest moet zijn om de band te leiden. Volgens eigen zeggen waren verschillende orkestleden, waaronder hijzelf, nogal overtuigd van zichzelf, ze vonden zichzelf erg goed en lieten zich niet teveel vertellen. Toen Schilperoort het orkest verliet in ’55 veranderde er dan ook het nodige. Dim Kesber ondersteunt dit in een interview verdeeld over 3 edities van Doctor Jazz Magazine uit 2010/2011. Toen Schilperoort de band leidde, zaten de orkestleden op stoelen. Dit is ook nog te lezen in „Stampij”, als Arie vanuit het souffleurshokje de band bekijkt. Een eventuele solist staat, maar de overige blazers zitten (blz. 137 oorspronkelijke druk, ook blz. 183 en 186). Kesber, in Doctor Jazz Magazine, en tijdens een gesprek met mij in de kleedkamer tijdens het 65-jarig jubileumconcert van het DSC in mei 2010, vertelde dat onder invloed van het succes van de band van Chris Barber, die in 1954 al professioneel was geworden en waar de bandleden altijd stonden te spelen, de Swing College dat ook ging doen, vrij snel nadat Schilperoort was uitgezwaaid.
Kesber was overigens niet zo heel gecharmeerd van het boekje van Willy: ten eerste was het zonder enig overleg met de betrokkenen tot stand gekomen en ten tweede droeg hij nooit een hoed!

Kennelijk was het hele verschijnen van het boek voornamelijk iets tussen Schilperoort en Willem van den Hout, die een tijdlang naast elkaar woonden op Kaageiland, waar de weduwe van Schilperoort nog immer woonachtig is. Ook het terugkeren van Schilperoort en het professioneel worden van het orkest was met name iets tussen zakelijk leider Arie Ligthart en Schilperoort, de rest was daar veel minder bij betrokken.

Een heleboel meer aan achtergrondinformatie komt naar boven uit Van der Heide’s boek: „Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig”, met name vanaf blz. 64. Probleem is alleen dat hier de nodige onjuistheden qua datering in staan, het boek stamt dan ook uit 1979 en is een boeiende mengeling van herinneringen en erbij gefantaseerde mooipraterij. Als voorbeeld geef ik het volgende aan: Van der Heide noemt als één van de oorzaken van het vertrek van Schilperoort de opkomst van Bill Haley en de rock ‘n’ roll. Dit zou net kunnen, weliswaar krapjes aan, want die band had zijn eerste succes in ’55, het jaar van het afscheid van Peter. Wat echter niet kan, is dat Schilperoort geen zin had in om als achtergrondmuziek bij Kom Van Dat Dak af... te fungeren. Want dat nummer stamt uit 1959, en toen was de befaamde klarinettist alweer bijna terug bij het orkest!
Wel erg treffend is het volgende: Willy beschrijft dat hij voor één van de afscheidsconcerten van Peter is gevraagd om de gastsolisten te begeleiden. Dit waren: „Zangeres Beryl Bryden (in tijgerpak plus wasbord) en de legendarische neger-sopraansaxofonist Sidney Bechet” (letterlijk zoals Van der Heide het schreef).


Beryl Bryden, helaas zonder tijgerpak,
maar wél met wasbord.


Sidney Bechet, met sopraansaxofoon, maar ook hij helaas zonder zichtbaar zeemleren zakje vol edelstenen.


Nu heb ik zelf nog met Bryden opgetreden, tijdens de korte periode dat ik bij de New Orleans Syncopators speelde. Uit eigen ervaring kan ik zeggen dat de beschrijving van haar uit het boek nogal op zijn plaats is. Ook over Bechet vertelt hij het nodige. Op dat moment was deze man dus woonachtig in Frankrijk en speciaal voor het concert naar Nederland gekomen. (Wellicht per D-trein?) Volgens Willy liet Bechet „na de vijfde whisky een grote klauw in een broekzak glijden en haalde die er weer uit met een zeemleren zakje, dat hij boven het eiken tafelblad omkeerde. Er rolden alleen maar robijnen, smaragden en witblauwe diamanten uit.”

Na het lezen van deze details gaan bij de waarachtige Bob Evers-liefhebbers uiteraard zestien bellen tegelijk rinkelen. Het hele verhaal uit „Stampij om een schuiftrompet” draait immers om diamanten, per D-trein vanuit Frankrijk naar Nederland gesmokkeld. Kennelijk heeft deze ontmoeting met Bechet de nodige inspiratie geleverd bij Van der Heide, die dat vervolgens verwerkte in zijn boek.
Omdat het concert uitverkocht was kon Willy, met zijn toenmalige vriendin Kathinka, geen plaats meer vinden in de zaal, en beiden verbleven tijdens het bewuste concert achter de coulissen. Waar ze welkom waren. Aldus Wim Kolstee: „Willem - als we jouw rare smoel zien, spelen we gewoon beter.”

Omdat Willem, met Kathinka, Bechet en Bryden al voor het concert het nodige hadden geconsumeerd bij Cecil in de Hoogstraat (komt voor in de eerste editie, omgedoopt tot Wijnandts in de pockets) en in ’t Goude Hooft, was de stemming al vroeg op de avond tamelijk ontspannen te noemen. De kleurrijke valpartij achter het toneel (blz. 186, eerste druk) is dan ook geen pure fantasie, echter was niet Kolstee het slachtoffer, maar in werkelijkheid vriendin Kathinka, waarbij één van haar te hoge hakken afbrak.
Van het concert zelf had Willem niet al te veel meegekregen, hij was in te kennelijke staat en te druk met het ter plekke repareren van hoge hak (met veel tumult) en de gastsolisten. Pas nadat de opnames gereed waren, kon Willy horen wat er echt gespeeld was.

Ho, wat, waar, stop! Opnames? Dat was voor mij aanleiding om de discografie van Gerard Bielderman over het DSC er bij te pakken. In 1955 is er inderdaad sprake geweest van een serie afscheidsconcerten. Eén in het Concertgebouw te Amsterdam, maar ook twee op 13 en 19 september in het Kurhaus te Scheveningen, zonder Bechet, maar met Jan Morks, die telkens één nummertje mocht meespelen.
We komen nu echter heel dicht bij de oplossing, tweemaal dat jaar zijn live opnames gemaakt in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen. De eerste dateren van 1 mei, zonder gasten en de tweede is van 3 september 1955 en daar zijn we er eindelijk uit: met gasten Beryl Bryden en Sidney Bechet.
Echter, Jan Morks was wel degelijk van de partij, die ook hier zijn ene nummertje mocht meeblazen als opvolger van Schilperoort. Dat is Willem kennelijk volledig ontgaan...

De laatste stap was het achterhalen van de opnames. Ze zijn nooit officieel uitgebracht, maar via diverse muzikale contacten waren ze wel te achterhalen. Een aantal van de in het boek genoemde titels zijn ook daadwerkelijk tijdens het concert uitgevoerd:



I’ve Found A New Baby
Basin Street Blues
When The Saints Go Marching In
Tijdens het nummer Swanee River, met gastsolist Sidney Bechet, is een luid onritmisch getimmer te horen.... was Bechet het niet eens met het tempo van het orkest, zoals door sommigen wordt gesuggereerd, of was dit de bijdrage van Willem van den Hout, die de gebroken hoge hak van Kathinka trachtte te repareren onder het toneel?

Conclusies:

Het concert waaraan het boek „Stampij om een schuiftrompet” in geromantiseerde vorm is opgehangen, heeft daadwerkelijk plaatsgevonden op 3 september 1955. Schilperoort hoorde nog net bij het orkest, maar was bezig met zijn afscheidstournee. Jan Morks was er wel degelijk bij aanwezig, speelde slechts mee tijdens één nummer, Weary Blues.

Sidney Bechet en zijn bezittingen staan in wezen symbool voor de uit Frankrijk afkomstige smokkel van diamanten.

Er was wel een zangeres bij het concert aanwezig, echter niet Rita Reys (die later wel optredens met het DSC zou doen), maar Beryl Bryden.

De Dutch Swing College Band op de cover van haar versie van Ich hab das Fräulein Helen baden sehn, een oud liedje van de Comedian Harmonists. Dit singletje is uit 1962, dus er staan andere bandleden op, maar de kleurencombinatie van de badpakken die de heren dragen, ziet er o zo vertrouwd uit...



Geraadpleegde bronnen:

Stampij om een schuiftrompet” - Willy van der Heide (eerste druk, 1959; elfde druk, 1976).
Toen ik een nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit de jaren vijftig” - Willy van der Heide (1979).
Een vliegtuigsmokkel met verrassingen” - Willy van der Heide (eerste druk, 1959).
Het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen (K & W) - wikipedia.
Interview met Wybe Buma op de DVD Dutch Swing College - The Story (c. 1997).
Interview met Dim Kesber in Doctor Jazz MagazineDJM 211, 212 en 213 (2010 - 2011).
Gesprekken van ondergetekende met Dim Kesber tijdens jubileumconcert DSC (mei 2010), Beryl Bryden (ca. 1995) en Chris Barber (verschillende data, periode 2011 - heden).
Dutch Swing College Band Discography 1945 - 2009” - Gerard Bielderman (2010).
„Jan Morks discography”, Eurojazz Discos No. 9 - G. Bielderman (2012).
Opnames Dutch Swing College Band in concert, with Sidney Bechet and Beryl Bryden (3 september 1955).

uit : Bob Evers Nieuwsbrief, first published December 2016

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~


Inside The Big Chris Barber band deel 2


In maart 2011 maakte de Nederlandse saxofonist Bert Brandsma een tournee als gastspeler bij de fameuze Big Chris Barber band. (zie ook DJM 213) De Britse trombonist was dermate tevreden over het spel van Brandsma dat hij hem nog tijdens deze gelegenheid uitnodigde om in mei van dat jaar naar Engeland te komen voor een tweede tour. Hier zou het echter niet bij blijven. Nu volgt een verslag van Brandsma's verdere avonturen bij het orkest van Barber, die uiteindelijk zouden leiden tot een vaste aanstelling als soloklarinettist!


  


Derde tournee met Chris Barber


De derde tour waarvoor ik werd uitgenodigd om te komen invallen vond plaats eind augustus 2011 en startte in Berlijn. Op de avond voordat ik de trein zou nemen kwam nog een Email van Chris zelve binnen met de vraag of ik mijn videocamera's mee zou willen nemen, om een videoverslag voor YouTube te maken. Bepakt met klarinet, altsax, tenorsax, smoking, 2 camera's met statieven, een koffer en een goed humeur ga ik de volgende dag op stap. Aangekomen bij de eerste optreedlocatie, het historische stadhuis van Köpenick, volgt eerst een allerhartelijkst weerzien met de bandleden, waarna de soundcheck is gepland. Tijdens het gereedmaken van de instrumenten op het podium, komt Barber ineens naast me staan en vraagt met ondeugende pretoogjes: "Hey Bert,where is your bass sax?"

Het blijkt dat Chris CD opnames van de Dixieland Crackerjacks heeft gehoord en nogal gecharmeerd is van mijn spel op bassaxofoon. Na de soundcheck komen we nogmaals in gesprek en Barber verklaart ineens: "Weet je, als ik jou eerder had gekend, had je allang een vaste positie in mijn band aangeboden gekregen, maar ik kan niet zomaar iemand ontslaan omdat er een ander persoon is die ik beter vind".
Ik bedank hem hartelijk voor het compliment en houd me aanbevolen voor de toekomst. Een fijn optreden volgt die avond.


Vacature voor klarinet


Begin 2012 krijg ik van enkele bandleden signalen dat er in de zomervakantie wellicht een vacature zal komen bij de rietblazers, echter niet op een saxofoonplek maar op de positie met hoofdinstrument klarinet. De Engelsen noemen dit de Jazz-chair, omdat in deze stem de meeste ruimte voor geïmproviseerde soli zit.
Wanneer ik in mei 2012 nogmaals 2 optredens met het orkest in Engeland doe, blijkt dit inmiddels ook een concreet verhaal te zijn. Daar ik met name te boek sta als saxofonist is in eerste instantie niet aan mij gedacht voor deze vacature. Er zijn op dat moment al 3 kandidaten, maar na wederom 2 leuke concerten wordt toch aan me gevraagd of het eventueel iets voor mij zou kunnen zijn om auditie te doen voor deze plek. Het zou dan gaan om de periode van minimaal een jaar omdat David Horniblow, die de positie op dat moment bekleedt, voor een sabatical year (of langer) naar Australië gaat.


Voorbereiding voor de auditie


Enkele dagen later volgt weer een telefoontje van Chris of ik eind juli zou kunnen invallen in Zwitserland, op het jazzfestival van Lenk. In mijn agenda staat die avond vrij, maar ik zie ook dat ik de volgende avond in Oxford, New Jersey, USA moet spelen met de Dixieland Crackerjacks. Na enig speurwerk blijkt dat het te combineren is, als ik de nacht na Lenk om 4 uur in de auto spring, om naar het vliegveld van Zürich te racen. Met dit heugelijke nieuws meld ik me bij Chris die dan zegt: "Oh ja, dat is trouwens nog wel op de altsax positie. Je auditie voor klarinet is een week later, tijdens een concert op de autoracebaan van Silverstone".

Voor de auditie is Wild Cat Blues , de B-kant van de plaat die Chris in 1959 wereldberoemd maakte, het belangrijkste stuk. Chris verzoekt me om vooral goed naar die opname met Monty Sunshine te luisteren. Bob Hunt meldt me later ook nog dat men bij de Ellington composities verwacht dat in de stijl van Barney Bigard gespeeld wordt.

Begin juli 2012 zijn Slidin' Selena en ik in de auto op weg naar Zwitserland om met Bernard Berkhout en his Swing Orchestra te spelen, als ineens de telefoon gaat: "Hallo met Chris Barber, weet je nog dat ik het gehad heb over Wild Cat Blues en Monty Sunshine?" Ik antwoord: "Jazeker, daar ben ik al flink mee bezig geweest...."

"Wel, ik heb daar nog eens over nagedacht," vervolgt Barber. "Maar eigenlijk vind ik de opname met Ian Wheeler uit de jaren '80 nog wat leuker, omdat die wat vloeiender is!"

Ik zeg toe die opname op te te zoeken en daar ook mee aan de slag te gaan.


Het proefspel


De laatste week van juli wordt zodoende wel extreem wild, zaterdag in Lenk met Barber, zondag tot en met donderdag in de USA met de Crackerjacks en de zondag daarna de auditie in Engeland. Het proefspel op Silverstone blijkt een tamelijk informeel optreden, met name voor vrienden en kennissen van Chris Barber, die ooit in de jaren '50 zelf aan autoracen heeft gedaan. Hij rijdt trouwens nog steeds niet langzaam!
Na het optreden word ik meteen aangenomen, dan pas blijkt dat Barber de overige kandidaten al weken eerder heeft afgezegd, omdat hij toch al wist dat hij het liefst met mij verder wilde.......
Wel zegt de orkestleider over Wildcat Blues ,dat hij graag wil dat ik ook nog eens de opname van Sidney Bechet met Clarence Williams uit 1923 bestudeer. Mijn versie wordt dus uiteindelijk een soort mix van Monty Sunshine, Ian Wheeler en Sidney Bechet.


De eerste tournees als vast bandlid


Eind augustus 2012 volgt dan de eerste tour als vast bandlid, een weekje in Duitsland met als eindbestemming het jazzfestival te Gelsenkirchen. Daar speelt de band van Rod Mason in het voorprogramma, wat leidt tot een feest der herkenning met zoveel Britse musici in een zaal.

Hierna volgen enkele losse optredens waarvoor ik telkens naar Engeland of Ierland moet vliegen. In Dublin beland ik in een taxi met Acker Bilk, die precies wil weten op welk type klarinet ik speel.

Eind september begint de langste tour die ik tot dan in mijn muzikale loopbaan heb gedaan, ruim 6 weken van huis, startende te Luxemburg en dan kriskras door Duitsland met een uitstapje naar Zweden. Midden oktober is een blokje van 4 dagen vrij, komt er een verzoek van de Bergische Symphoniker of ik bij hen, exact die 4 dagen kan komen om de baritonsax partij van het trompetconcert van Zimmermann te spelen. Soms heb je geluk....Het betekent wel dat er nog een vliegticket van Kopenhagen naar Düsseldorf geboekt moet worden, maar dat is heden ten dage niet zo'n groot bezwaar.

De laatste 9 dagen van de tour met Barber, het is inmiddels november, zijn 3B concerten. De volledige bands van Kenny Ball, Acker Bilk en Chris Barber treden afwisselend op.


Avonturen "On the road"


In de tweede helft van november en in december zijn er alleen one-nighters in Polen en Engeland. Het jaar 2013 echter gaat gelijk van start met een tour van een maand, voor het grootste deel in Duitsland, en eindigend in Liechtenstein. Tijdens zo'n tournee wordt ook nieuw repertoire ingestudeerd, Bob Hunt komt aan met nieuwe arrangementen van East St. Louis Toodle-Oo en Rockin' In Rhythm.
In januari is het weer niet altijd even mooi en op een dag dat we van Magdeburg naar Suhl moeten, worden we overvallen door heftige sneeuwbuien. De eerste auto die aankomt, heeft voor de 350 km maar liefst 7 uur nodig. Als we bij het theater aankomen blijkt dat Chris Barber heeft gebeld en in verband met een auto-ongeluk vastzit op het politiebureau te Erfurt. Ongedeerd, dat gelukkig wel. Aan mij de vraag om de aankondigingen die avond te doen, daar ik de enige ben die goed genoeg Duits spreekt. Gregor Beck, de drummer uit Duitsland kondigt namelijk liever niet aan. Engels is voor de oudere generatie in voormalig Oost-Duitsland lastig, daar men Russisch op school heeft geleerd. Ondanks het ontbreken van de bandleider, is het concert toch een groot succes, dat wordt beloond met een staande ovatie. 




Ontmoetingen met oudgedienden


In februari en maart zijn het weer one-nighters, en om dat wat aantrekkelijker te maken, wordt het idee opgevat mij in Engeland 2 aansluitende concerten te laten spelen met John Crocker, die klarinet en sax in het orkest speelde van 1968 tot 2003. Een geweldige ervaring, omdat toen ik de band voor het eerst live zag, ik enorm onder de indruk was van zijn spel. John speelt overigens nog steeds uitstekend, alleen is hij niet meer zo goed ter been, waardoor hij de optredens veelal beperkt tot de omgeving van London. Hij vertelt me nog een aardig verhaal, namelijk dat hij en Sammy Rimmington, eigenlijk helemaal niet zulke jazzmuzikanten waren toen ze bij Barber begonnen. Ze waren eigenlijk meer Rock 'n Rollers, maar doordat Barber zo enorm veel optredens kon verzorgen, in combinatie met de nodige persoonlijke ambitie, werden ze bijna vanzelf goed in het spelen van jazz.
Dickie Bishop komt ook nog langs bij één van de concerten. Dickie heeft eigenlijk maar kort in de band gespeeld, maar speelde net wel die ene gitaarsolo op de beroemde opname van Petite Fleur.


Optredens in Nederland


Eindelijk is het in april 2013 dan zover, een tournee die grotendeels door Nederland voert.Talloze kennissen mag ik in het publiek ontmoeten. Chris is tijdens een vrije dag in ons land jarig en dat vieren hij, Selena en ik gedrieën middels een etentje in Groningen, de stad waar ik de band als 14-jarige voor het eerst zag.
Omdat een aantal optredens dichtbij huis zijn is er nog een kleine verrassing voor Chris, na de pauze speel ik een stuk op bassaxofoon. Na afloop ga ik ondeugend lachend naar Chris en zeg: "Here is the answer to your question from August 28. 2011 in Berlin!"

Later komt het antwoord van Chris: "I realize it is unrealistic to ask you to take that big instrument to all the concerts, but feel free to use it whenever you want to!"

Al deze grote concerten in de mooiste concertzalen van Europa zijn een absoluut hoogtepunt in mijn carrière. De kans om je favouriete muziek in een dergelijke ambiance te mogen spelen is iets om enorm dankbaar voor te zijn.

De toekomst wordt nu wel even spannend, wat gebeurt er precies in september? Komt David Horniblow terug en wat zijn dan de consequenties? Niemand weet het nog, maar wat ik allemaal heb mogen meemaken de afgelopen periode,wordt me nooit meer afgenomen!


Op YouTube is het nodige te vinden van Chris Barber met Bert Brandsma. Bijvoorbeeld in Berlijn Köpenick 2011, het concert met bassaxofoon in Hoogeveen en opnames in de theaters van Deventer en Gouda uit 2013. 

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~







Inside the band: Bernard Berkhout and the Swing Orchestra


  


Sinds enkele jaren timmert klarinetvirtuoos Bernard Berkhout stevig aan de weg met zijn eigen big band. Met een waar sterrenensemble is hij vol overgave gedoken in de hoogtijdagen van de swing big bands. Het orkest heeft hetzelfde formaat als Benny Goodman (Berkhout's favoriet) tijdens diens legendarische Carnegie Hall concert van januari 1938, namelijk 3 trompetten, 2 trombones, 4 saxen en een ritmesectie bestaande uit piano, gitaar, bas en drums.
Als solist en orkestleider staat Bernard daar zelf uiteraard voor, samen met zangeres Mirjam van Dam.

Toen halverwege de jaren '80 Bernard Berkhout op komeetachtige wijze omhoogschoot aan het vaderlandse jazzfirmament, werd hij spoedig ontdekt door pianist Pim Jacobs, die hem weldra voor de televisie haalde. Dit mondde uit in een zeer succesvolle samenwerking met vibrafonist Frits Landesbergen en een op TV uitgezonden optreden als solist bij het Metropool Orkest olv Rogier van Otterloo, samen met Eddie Daniels. Vervolgens werd hij door Peter Schilperoort eigenlijk voorbestemd om diens opvolger te worden bij de DSC band, maar dit is na het overlijden van Peter in 1990 tegengehouden door derden, waardoor de uitvoering van deze wens van de familie Schilperoort helaas nooit heeft plaatsgevonden. Bernard Berkhout is toen uiteindelijk bij de New Orleans Syncopaters van George Kaatee beland. Dit was echter eind jaren '90 geen fulltime werkend orkest meer, waardoor hij zich genoodzaakt zag om zijn studie geneeskunde weer op te pakken en uiteindelijk huisarts is geworden.

Ondanks dat Berkhout inmiddels prachtige prijzen had gewonnen zoals een Edison, de solistenprijs van het Breda Jazzfestival en de Peter Schilperoort bandleider award is de muzikale activiteit in het begin van de 21ste eeuw ietwat op een laag pitje beland. Gelukkig heeft dit niet al te lang geduurd en na wat experimenten met kleinere ensembles zoals 4beat6 werd zo rond 2008 besloten de zaken groots aan te pakken door te gaan werken met het formaat van klarinetsolist met big band, zoals eind jaren '30 grootheden als Goodman, Artie Shaw en Woody Herman zo succesvol hadden gedaan. Als arrangeur werd Peter Stöve aangetrokken, die in het begin tevens als dirigent het orkest op gang heeft geholpen. In recordtijd heeft Stöve een prachtige verzameling highlights uit de swing era van de plaat gehaald en zeer vakkundig op papier gezet.

Ondertussen was er wereldwijd de nodige belangstelling onder jongeren ontstaan voor het dansen van de Lindy Hop, zoals in de periode rond de tweede wereldoorlog zo in zwang was. Lindy Hoppers uit Amsterdam en Utrecht ontdekten al spoedig dat Bernard Berkhout and his Swing Orchestra dé ideale formatie was om hun favoriete muziek live te vertolken. Dit leidde tot het opnemen van een cd met muziek speciaal voor dansers: Let's Dance ,niet toevallig ook Goodman's herkenningstune van het gelijknamige radioprogramma waarin hij doorbrak.

Na de zomer van 2010 vonden noodgedwongen enkele bezettingswijzigingen in de band plaats. Dit leidde onder andere tot het aantrekken van leadtrompettist Nanouck Brassers, bekend van de marinierskapel, Jack Coenen, voormalig trombonist van André Rieu en saxofonist Bert Brandsma. Op verzoek van de redactie van DJM volgt nu een verslag van laatstgenoemde over diens ervaringen met het spelen in dit orkest:

Het moet ongeveer eind september 2010 geweest zijn dat er een verzoek van manager Jerry Steyger kwam om in oktober in te vallen bij het BBSO in Leiden. Gelijk viel ik met de neus in de muzikale boter want Scott Hamilton was bij dit concert gastsolist. Tijd voor een repetitie was er helaas niet meer, maar gelukkig staan de meeste arrangementen online (afgeschermd) op de website van Bernard Berkhout en is van blad lezen doorgaans geen groot probleem voor me. Het concert vond plaats op heilige muzikale grond, jazzcafé de twee spieghels waar ooit Ben Webster zijn allerlaatste optreden speelde. In de pauze komt Scott Hamilton me vertellen dat hij erg onder de indruk is van de sound van mijn Conn Connqueror altsax uit 1937, de start van een prettige conversatie over van alles wat met saxofoons en jazzgeschiedenis te maken heeft. Opvallend aan Bernard Berkhout is zijn enorme gedrevenheid. Hij wordt oprecht enthousiast als iemand anders een mooie solo speelt en laat zich daardoor graag inspireren tot klarinetsolo's van een kaliber die in ons land sinds de hoogtijdagen van Jan Morks niet meer gehoord zijn.

Na afloop van dit optreden zijn er niet heel veel woorden aan vuilgemaakt, maar sindsdien ben ik voor alle verdere optredens van het orkest gevraagd om mee te spelen. Dit bracht ons in juni 2011 onder andere op tournee naar Denemarken en in juli van datzelfde jaar in Amsterdam tijdens de Lindy Hop exchange. Een groots opgezet evenement waarbij dansers uit alle hoeken van de aardbol zich verzamelden om op swingmuziek te dansen. Het was geweldig om te zien dat de dansvloer vanaf het eerste nummer tot de uiteindelijke zesde toegift helemaal was gevuld met enthousiast dansende jongeren, een werkelijk unieke ervaring!

De bezetting van de band is zo rond deze periode gestabiliseerd en bestaat uit : Nanouck Brassers, Michael Varekamp, Koos van der Hout(tp) Markus Glas, Jack Coenen (tb) Wim Lammen (lead as, cl) Bert Brandsma (as, bassax, cl) Erik van der Weijden (ts, bass-cl) HansGoemans (ts) Mark van der Feen (p) Hans Voogt (g) Frans Bouwmeester(b) en Dolf Helge (dm).
Begin 2012 is de cd
Let's Dance opnieuw uitgegeven, maar ditmaal op grotere en internationale schaal. Dit leidde tot een uitnodiging om op televisie te komen optreden in het programma van Myrna Goossen. Dit beeldmateriaal is onder andere te vinden op YouTube onder de titel : Bernard Berkhout Swing Orchestra live on Dutch Television - Let's Dance ! Het is zonder meer een aanrader om eens te bekijken. Een document van zowel beeldtechnisch als muzikaal zeer hoogstaand niveau.

Een andere bijzondere ervaring was het optreden in januari 2012 in het Paard van Troje. Dit in Den Haag gevestigde uitgaanscentrum is vooral gericht op jongeren van 16 tot 25 jaar. Toen we aankwamen stonden zij reeds in lange rijen voor de ingang. Bij binnenkomst bleek dat in het uitgaanscircuit een soort "back to the roaring twenties"cultuur is ontstaan. Met name uitdagende burlesque shows die doen denken aan hetgeen waaraan Duke Ellington in de Cotton Club meewerkte, doen het in dat kader erg goed. De muziek van BBSO sluit hier wonderwel goed bij aan en het werd daarom een groot succes,wederom honderden jongeren aan het dansen op swing muziek.

Inmiddels had Bernard me ook gevraagd om nieuwe arrangementen te gaan schrijven voor het orkest. Een wel heel opvallende opdracht kwam voor het tweede optreden in het Paard van Troje: een transcriptie maken van Hot Voodoo! zoals gezongen door Marlene Dietrich in de film Blonde Venus, uit 1932. Een bijzonder muziekwerk waarin alles wat met jungle effecten te maken heeft aan bod komt. Op 28 april 2012 heeft dit arrangement zijn livepremiere beleefd, met gastzangeres Lady Marmelade. Ook deze versie is inmiddels te vinden op YouTube, zie: Hot Voodoo! Bar Burlesque with BBSO. Bij het publiek sloeg verder het nummer Ain't Misbehavin' in een bewerking voor Michael Varekamp deze avond bijzonder aan.

Voor de toekomst staan onder meer een tournee naar Zwitserland op het programma en de nodige festivals in Nederland. Hier begint dan ook de vraag: Hoe moet het nu verder met Bernard Berkhout and his Swing Orchestra? De band heeft inmiddels op bijna alle grotere jazzfestivals in ons land gespeeld en zullen de organisatoren het gezelschap wederom willen contracteren in volgende jaargangen? Gelukkig heeft ook Hilversum het orkest ontdekt, het speelde dit jaaral live op de radio bij het radio boekenbal van Frits Spits. Ook zijn de eerste theaterconcerten gegeven, onder andere één gepresenteerd door Cees Schrama in de Speeldoos te Baarn.

Het is een niet te onderschatten verdienste van Berkhout dat hij zijn tomeloze energie gebruikt om het orkest zo goed op de rails te zetten. Kosten noch moeite worden gespaard om alles te optimaliseren. Het is redelijk uniek dat hij met classic jazz een jong publiek weet te boeien en aan het dansen te krijgen. Ook speelt hij natuurlijk nog eens fabuleus jazzklarinet, hij is met afstand de beste van Nederland.
Daarnaast weet hij de traditionele media, als radio en TV enthousiast te krijgen voor deze muziek en maken hij en niet te vergeten de medewerkers daarnaast dankbaar gebruik van de nieuwe media als YouTube en facebook om het orkest in contact te houden met zijn publiek.
(Bert Brandsma)

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~





Acker Bilk en zijn wereldhit met klarinet 

  


Door Bert Brandsma


1938 was een geweldig jaar voor de populariteit van de klarinet. Benny Goodman had talrijke platen in de Amerikaanse hitparade, Artie Shaw brak door met Begin The Beguine en een jaar later kwam ook Woody Herman nog eens naar voren met At The Woodchoppers Ball, dat de start werd van een carrière met uiteindelijk 42 opnames in de Amerikaanse hitlijsten van die jaren. Drie big band leiders die allen klarinet speelden.
Eind jaren ´50 nam Engeland de vlag over.
Petite Fleur in een opname van klarinettist Monty Sunshine met een deel van Chris Barber's Jazz Band werd in 1959 een groot succes aan beide kanten van de Atlantische Oceaan. Dit was onverwacht, want traditionele jazzmuziek was na de tweede wereldoorlog weliswaar populair in Europa, als zijnde muziek van de bevrijders, hits waren in die tijd toch meer voorbehouden aan Rock 'n Roll artiesten als Bill Hailey of enkele jaren later aan de Beatles.
Zoals zo vaak zocht de muziekindustrie naar herhaling van dit succes. De poging van Monty Sunshine met
Lonesome had hét niet, (wel een tamelijk valse gitaar....) dus werd gezocht naar nieuwe sterren.
Acker Bilk was een andere Britse jazzklarinettist die al een paar jaartjes meedraaide en haalde in Engeland een top 5 notering in 1960 met
Summer Set. Datwas nog niet voldoende dus werd besloten om het Tradjazz concept wat meer los te laten en hem te laten begeleiden door een strijkorkest. Gevolg: Stranger On The Shore werd in 1962 een nummer 1 hit in de Verenigde Staten en in Europa.

Bernard Stanley "Acker" Bilk is een fenomeen. Bijna een soort antiheld in de wereld van de klarinet, zich totaal niet bezig houdend met vingervlugge hoogstandjes waar musici zich maar al te vaak op blindstaren. Met daarnaast een embouchure die zelfs voor Jazzbegrippen extreem los is. Bij een normale sterveling zou dat leiden tot grote intonatieproblemen, maar Acker beschikt over een goed oor voor zuiverheid, die dat als vanzelf corrigeert. Wel kan de man als geen ander muzikale schetsen maken, als een groot schilder die aan enkele verfstreken genoeg heeft om iets artistieks neer te zetten. Hij speelt veelvuldig in het lage register, met een diepe, vibratorijke toon, die extra sfeervol klinkt doordat er bewust valse lucht aan is toegevoegd.

Wat verder uniek is aan Acker, is dat zijn grootste hits als eigen composities vermeld staan. Nou zit aan Stranger On The Shore wel een hele mooie legende, ooit aan mij verteld door Chris Barber. Er bestond in Engeland begin jaren ´50 een band welke met 2 klarinettisten speelde, die op dat moment wat bekender waren dan Bilk. Hij mocht echter wel eens invallen en moest het hele repertoire uit zijn hoofd leren. Eén melodielijn van een tweede stem bleef in zijn hoofd hangen. Hierop werd vervolgens Jenny, zoals Bilk het nummer ter ere van zijn pasgeboren dochter noemde, gebaseerd. Na de eerste versie van het muziekstuk Jenny werd Bilk benaderd door de Britse omroep met het verzoek het werk te mogen gebruiken voor een nieuwe televisieserie : Stranger on The Shore. Als herkenningstune werd een nieuwe opname gebruikt waarbij Bilk niet door zijn Paramount Jazzband werd begeleid, maar door een strijkorkest, de Leon Young String Chorale. Jenny heette nu Stranger on The Shore en werd vervolgens die grote internationale hit.

Maar liefst 14 jaar later zou Acker nogmaals in de Britse hitparade belanden, met de titel Aria bereikte hij de nummer 5 positie, waarna hij werd benaderd om een jaar later, in 1977 dus, met zijn Paramount Jazz Band op te treden tijdens het Eurovisie Song Festival, als tussendoortje.

Waarom werden Monty Sunshine bij Chris Barber, Acker Bilk en iets later trompettist Kenny Ball met in zijn orkest klarinettist Andy Cooper zo populair eind jaren '50, begin jaren '60? Een volledige verklaring vinden is waarschijnlijk onmogelijk, maar toch is een voorzichtige poging op zijn plaats.
Eind jaren '30 waren in Amerika, zoals in de eerste alinea al aangegeven, orkestleiders populair. Een vocalist maakte vaak wel onderdeel uit van zo'n big band, maar werd welhaast beschouwd als een noodzakelijk kwaad. Gedurende de oorlogsjaren kwam daar door een complex van factoren een kentering in. Onder andere door heftige stakingsacties van vakbonden voor musici zijn toen lange tijd nauwelijks platen opgenomen. Zangers vielen echter niet onder die vakbonden, en kwamen daardoor bijna automatisch bovendrijven in de hitparade, omdat er verder weinig verkrijgbaar was. Bijvoorbeeld Frank Sinatra en Peggy Lee werden ineens sterren onder eigen naam. De instrumentale jazzmuziek kreeg aan de ene kant een meer intellectuele ontwikkeling richting Bebop, die lastig te begrijpen is voor een doorsnee publiek. Aan de andere kant was er ook toen al een verlangen om terug te kijken naar de goede oude tijd toen jazz begon. Maar ja, dat was in New Orleans, en dat waren toch zwarte musici? Er ontstond dus een kleinere markt voor min of meer authentieke zwarte jazzmuzikanten, die in tegenstelling tot bijvoorbeeld Louis Armstrong in New Orleans waren blijven hangen en volgens de mythe de muziek in zijn pure vorm waren blijven spelen. Nu zijn er serieuze argumenten aan te voeren om dit simpele plaatje ernstig in twijfel te trekken, maar dat doet er nu even niet toe, zo werd het in muziekgeschiedenisboekjes onderwezen en werd het ook in de pers voor waar aangenomen.

Eén van de grootste namen in het genre van de na oorlogse New Orleans jazz was die van klarinettist George Lewis. Zowel Monty Sunshine als Acker Bilk beluisterden zijn platen goed en namen een voorbeeld aan de "puurheid" van zijn spel. Voor een getraind muzikaal oor is zeker het nodige aan te merken op bijvoorbeeld de techniek en vaak ook de zuiverheid van George Lewis, wel beschikt zijn werk over een flinke dosis eerlijke, begrijpelijke zeggingskracht.
Begin jaren '50 was een Engelse trompettist zo verslingerd geraakt aan deze muziek dat hij persé naar New Orleans wilde om het allemaal van dichtbij mee te maken. Ken Colyer bezat echter geen geld om een dergelijke reis te kunnen bekostigen en monsterde daarom maar met trompet en al aan als scheepskok. Aangekomen nabij de geboortestad van de Jazz, droste hij gelijk van het schip om niet meer terug te keren. Ken had ook nog een broer, die een goed gevoel had voor public relations en bovendien over de nodige connecties met de schrijvende pers beschikte. De avonturen van Ken Colyer kwamen vervolgens in geuren en kleuren in de Engelse kranten terecht. Vooral toen hij uiteindelijk door de Amerikaanse politie werd gearresteerd en het cachot in werd geslingerd wegens het ontbreken van een paspoort en een werkvergunning. Toen Colyer werd uitgezet, merkwaardigerwijze met een eerste klas vliegticket, was hij dan ook uitgegroeid tot een soort volksheld, zeker in de kringen van avontuurlijke muzikanten.Terug in Engeland aanvang 1953 werd hij gelijk trompettist in de band van Chris Barber, dat toen tijdelijk Ken Colyer's Jazzmen ging heten,om te profiteren van alle publiciteit. Monty Sunshine completeerde de blazerssectie.
Eind mei 1954 kwam aan die samenwerking al weer een einde en presenteerde Colyer zijn nieuwe band, met op klarinet Acker Bilk. Doordat de broer van Ken maar door bleef gaan met persberichten sturen verscheen alles in geuren en kleuren in de kranten en langzaam werden alle betrokkenen bekende publieke figuren.

Acker hield het op zijn beurt niet lang vol bij Colyer, die met name in London actief was. Hij keerde terug naar Bristol waar hij zijn Paramount Jazz Band ging leiden. Vrij spoedig werden de eerste,redelijk succesvolle platen uitgebracht onder het Nixa label. In 1959 werd dit label overgenomen door het grote concern EMI Records waarna de internationale doorbraak een feit werd. Bilk en zijn band kwamen nu ook regelmatig op televisie en bijvoorbeeld de BBC heeft in 1965 de op dat moment veel bekendere Engelsman samen met zijn oude idool George Lewis op de buis gebracht.

In de jaren daarna volgden uitgebreide tournees langs theaters en festivals in heel Europa, totdat in 1994, mede door een teruglopende gezondheid, Acker besloot om het wat rustiger aan te doen. Voor zijn muzikale verdiensten heeft hij de sindsdien tal van onderscheidingen gekregen, waaronder een koninklijke. In januari 2014 bereikte hij de respectabele leeftijd van 85. De laatste jaren heeft hij weliswaar wat minder vaak optredens verzorgd, maar met name in Engeland en tijdens dubbelconcerten samen met de bands van zijn oude maatjes Kenny Ball en Chris Barber heeft hij nog steeds duizenden fans blij gemaakt.

De auteur van dit artikel heeft sinds 2011 Acker Bilk bij dergelijke concerten persoonlijk leren kennen als een aimabel mens vol grapjes,die veel belangstelling heeft voor het wel en wee van zijn collega's. Bovenal heeft hij de eer gehad om Stranger On The Shore enkele malen in plaats van Acker te mogen spelen tijdens grote concerten op dagen dat het met de gezondheid van de Engelse klarinet legende even wat tegen zat.

(Acker Bilk overleed, op  2 november 2014, vrij kort nadat dit artikel was gepubliceerd in "de klarinet".)

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~






22nd International Duke Ellington Conference 2014 te Amsterdam


  



Tussen 15 en 18 mei 2014 vond in Amsterdam, grotendeels in het conservatorium van onze hoofdstad, een bijeenkomst plaats waarin de muziek en het leven van Duke Ellington centraal stonden. In verband met concertverplichtingen in Engeland kon de schrijver van dit relaas helaas alleen op de vrijdag aanwezig zijn, de hoeveelheid informatie van slechts die ene dag is echter meer dan toereikend voor een enthousiast artikel.

Belangrijk voor de organisatie was Walter van de Leur, professor in Jazz en geïmproviseerde muziek en als docent muziekgeschiedenis verbonden aan zowel het Conservatorium als de Universiteit van Amsterdam.Tevens is hij onderzoekscoördinator aan het Conservatorium en verricht hij zelf ook onderzoek.
Aanwezig waren vooral muziekwetenschappers en kenners / liefhebbers uit de hele wereld, grotendeels van een leeftijd dat ze Ellington nog daadwerkelijk hebben zien optreden. Voor mijn gevoel waren er te weinig studenten en docenten aanwezig. Voor hen gold een sterk gereduceerde toegangsprijs. Volgens opgave van de school studeren er zo'n 1000 mensen. Het is dan jammer als er slechts 7 studenten muziekwetenschap belangstelling tonen. De conservatorium big band heeft nog wel een uitvoering gegeven met Ellingtonia op de zaterdag van het evenement.
Hierdoor bleef bij de lezingen een unieke groep mensen over met een dusdanig overweldigende kennis van zaken, dat het zeker iets magisch had om daarbij aanwezig te mogen zijn.

De eerste sessie die bewuste vrijdag was van Matt Cooper, met als onderwerp Ellington de pianist. De invloeden op zijn spel en de invloed die hij weer op anderen had kwamen aan bod. Cooper is zelf een meer dan verdienstelijk pianist die talrijke transcripties heeft gemaakt van Ellington's soli. Bijvoorbeeld Lot's Of Fingers uit 1932 kwam aan bod. Cooper legde uit dat de melodie al leek op bebop van ruim 10 jaar later. Verder zag hij een verband tussen het piano intro van Sentimental Mood uit 1935 met Thelonious Monk's Round Midnight.

De tweede lezing kwam van Ken Steiner, iemand die jaren bezig is geweest om een film, getiteld Headlines boven water te halen. In een krant uit Philadelphia, jaargang 1925 had hij gelezen dat de Kentucky club band zou gaan spelen in deze film. Steiner vermoedde dat het Ellington's band was. Het bleek dat the Library of Congress een kopie van de film had, helaas in ongerestaureerde staat. Vanaf 2005 is Steiner bezig geweest met vragen wanneer de film weer toonbaar gemaakt kon worden. In 2013 was het eindelijk zover en gelukkig niet voor niets, Ellington's orkest uit die tijd is zichtbaar. Muziek was er uiteraard nog niet, omdat pas twee jaar later de geluidsfilm furore zou gaan maken. Ondanks dat de band slechts dient als achtergrond bij een dans is het toch de moeite waard: het bevat de enige bewegende beelden van Bubber Miley en waarschijnlijk het enige beeldmateriaal met Prince Robinson bij Ellington.
Het allermooiste was dat bleek dat het Library of Congress de kopie had bemachtigd via het Nederlands Film Instituut en de tekstblokken tussendoor dus in de Nederlandse taal waren!

Na deze twee Amerikaanse sprekers was nu een Italiaan aan de beurt. Luca Bragalini heeft onderzoek gedaan naar Ellington's politieke kleur.Hij relateerde diens compositie New World A-Comin' aan een boek uit 1943 van Roi Ottley en radioshows met dezelfde naam. In het boek en in de uitzendingen zitten politieke en raciale thema's die de merendeels Afro-Amerikaanse bewoners van Harlem destijds bezighielden. Veel van die ideeën hebben verwantschap met communistische denkwijzen. Alhoewel Ellington tijdens interviews doorgaans zei geen enkele politieke interesses te hebben, vermoedt Bragalini dat dergelijke beweringen slechts uiterlijke schijn zijn geweest. De zaal kreeg onder andere inzage in gegevens uit later vrijgegeven FBI rapporten, waaruit blijkt dat Ellington tussen 1938 en 1970 door de geheime dienst in de gaten werd gehouden wegens vermeende links radicale politieke opinies. Tevens toonde Bragalini aan dat de anonieme muziek van de radioshows door Ellington moet zijn geschreven. Boeiend was te zien dat een oudere man vervolgens opstond met de mededeling dat je als Afro-Amerikaan in de jaren '40 nauwelijks alternatieven had qua politieke keuze, niemand anders nam het voor hen op. "En ik kan het weten, want ik was daar toen het allemaal gebeurde." zo meldde hij. De naam van deze man is Arthur Barnes, voormalig voorzitter van het National Jazz Museum in Harlem.

Daarna waren de Franse Duke Ellington organisaties aan de beurt. In hun verhaal werd uitgelegd met welke activiteiten ze zoal bezig zijn. Veel aandacht werd geschonken aan concerten die ze organiseren met een eigen big band, waarvan ook klarinettiste Aurelie Tropez deel uitmaakt. Haar kennen de trouwe bezoekers van de Doctor Jazz dag natuurlijk van het optreden in 2009.
Deze Franse organisatoren kwamen over als uiterst gedreven en initiatiefrijk. Ten slotte kregen de belangstellenden nog een promotie CD met opnames van Ellington uit 1962, gespeeld in het Museum Of Modern Art te New York.
Meer informatie is te krijgen via de website: La Maison du Duke. http://maison-du-duke.com/


Vermoedelijk de jongste spreker van de dag kwam uit België. Matthias Heyman is afgestudeerd contrabassist en nu een wetenschappelijke studie begonnen naar het werk van bassist Jimmie Blanton. Heyman had in Jazzliteratuur de bewering gelezen dat Blanton na 1940 wegens afnemende gezondheid geen solo's meer speelde in het orkest. Vervolgens was hij in staat deze mythe te ontzenuwen door verscheidene minder bekende opnames uit 1941 te laten horen.
Op boeiende wijze werd uit de doeken gedaan hoe groot de ontwikkeling van Blanton was in de slechts twee jaar dat hij bij Ellington werkte. Blanton ging minder noten spelen, maar meer lineaire lijnen. Ook werd hij in staat om de eerste tel van de maat, oh zo belangrijk voor een bassist die begeleidt, los te laten en zo meer ademende melodische frases te produceren.

Loren Schoenberg, voormalig tenorsaxofonist in het orkest van Benny Goodman, kwam nu aan bod. Inmiddels is hij Artistiek Directeur van het National Jazz Museum in Harlem, die onder andere de Savory collectie beheert. Deze collectie behelst een werkelijk kolossale verzameling van meer dan 1000 platen die na te zijn opgenomen in de periode tussen ca. 1935 en 1945 in de archieven belandden en er nooit meer zijn uitgehaald. Pas in 2010 is de collectie herontdekt. Het bevat opnamen van radiouitzendingen met bijna alle groten van de Jazz uit die tijd. Voor de conferentie had Schoenberg een aantal voorbeelden meegenomen die volgens hem nooit eerder openbaar ten gehore zijn gebracht.
Zo kreeg de zaal Ellington onder meer te horen in een dixieland jam session uit 1937,een opname uit 1938 van Diminuendo in Blue vanuit de Cotton Club en Johnny Hodges a la Bechet in China Boy.
Het onbetwiste hoogtepunt was echter weggelegd voor Django Reinhardt. In 1939 hadden Duke en Django elkaar ontmoet in Frankrijk. Duke nodigde de meestergitarist toen al uit voor een tournee naar Amerika. Dat moest wegens de tweede wereldoorlog worden uitgesteld tot 1946. De kritieken waren niet mals, Reinhardt zou er niet veel van hebben gebakken en voor een concert in Carnegie Hall zelfs helemaal niet zijn komen opdagen. De geschriften waarin dat te lezen is kunnen nu de prullenbak in, want Schoenberg trakteerde ons op een weergaloze opname van
Honeysuckle Rose door Reinhardt, begeleid door Ellington's ritmesectie. Vanuit Carnegie Hall, NYC in 1946 dus. (Niet de langzamere opname uit de Civic opera te Chicago) De opening was in perfecte swingstijl, daarna volgden solo's in pure bebop die werkelijk niet onderdoen voor de prestaties van Parker en Gillespie uit die tijd en vervolgens rondde Reinhardt af met melodische frases in parallelle oktaven. Dit werd een handelsmerk voor Wes Montgomery, maar wel pas 10 jaar later!
Dit roept natuurlijk de vraag op waarom men Reinhardt zo heeft weggezet. Pastte hij als Europeaan wellicht niet in het stereotype plaatje dat alle vernieuwers in de Jazz uit de USA komen en bij voorkeur Afro-Amerikaan moeten zijn? Of was hij zijn tijd te ver vooruit en werd op dat moment eenvoudig niet begrepen? Vermoedelijk kon in het hele Ellington orkest van dat moment niemand zo modern improviseren als wat deze geboren Belg liet horen, de pianist zelf wellicht uitgezonderd. Voer voor een nieuwe studie!

De afsluiting van deze dag was voor een interview van Harvey Cohen met Mercedes Ellington, kleindochter van de Duke en eregast van de bijeenkomst. Zij vertelde hoe het was om in de Ellington familie op te groeien:"Home is where the work is" was het motto. Als driejarige kreeg ze reeds haar eerste danslessen en later zou ze als eersteAfro-Amerikaanse dansen bij de show van Jackie Gleason. Het meest hield ze van klassiek ballet, maar dat was in die tijd echt alleen maar voorbehouden aan blanken. Met vader Mercer en opa Duke (die ze oom Edward moest noemen) is ze mee geweest tijdens de beroemde tournee naar Rusland.
Samen hebben ze daar het Zwanenmeer van Tschaikovsky zien opvoeren in het Bolshoi theater. Mercedes vertelde hoe boeiend het was om te zien dat de klassieke orkestmusici, die wisten dat Ellington in de zaal zat, niet mochten zwaaien maar met hoofdknikken lieten weten hoe blij ze waren dat de grootste componist uit de geschiedenis van de Jazz in hun theater aanwezig was.
Een laatste hoogtepunt, uit vele van deze dag, om te vermelden is dat Mercedes ter plekke toestemming heeft gegeven aan het Jazz Museum om de Ellington opnames van de Savory collection uit te gaan brengen op CD, hulde!
(Bert Brandsma)

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~






Inside the band: op tournee met Chris Barber.


  


Sinds januari 2011 maakt het 23 jaar jonge aanstormende saxofoontalent Amy Roberts deel uit van de Big Chris Barber band. Wegens haar muziekstudie is ze echter niet dadelijk in staat om alle internationale tournees mee te spelen. Op zoek naar een mogelijke vervanger wordt door Bob Hunt de Nederlandse saxofonist/klarinettist Bert Brandsma genoemd. In 2005 had Hunt, de andere trombonist van de Barber band, de Dixieland Crackerjacks op het festival te Hoofddorp zien spelen en was nogal onder de indruk van de muzikale kwaliteiten van dit orkest. Hiervolgt een verslag van de tournee door Duitsland, Oostenrijk en Liechtenstein die Brandsma in maart 2011 met de Barber band maakte.


25 januari - Aanvraag per mobiele telefoon over beschikbaarheid voor een tournee met Chris Barber in maart. De eerste datum is bezet wegens een voorstelling in de Opera te Keulen, maar ik zeg toe te proberen daar een oplossing voor te vinden. De volgende dag gelijk in onderhandeling met de leiding van de opera productie. Wegens enkele belangrijke soli is men niet blij met mijn afwezigheid, maar er is gelukkig wel begrip voor de situatie en alle medewerking wordt verleend.


28 januari - Chris Barber geeft een concert in de Philharmonie te Keulen, op hetzelfde moment repeteer ik in de Keulse Opera. Alsof het zo moet zijn zegt de dirigent tijdens de pauze dat hij genoeg heeft gehoord en dat we naar huis mogen gaan. Niets naar huis! Haasje-repje met Selena naar de Philharmonie om de tweede helft van Barber's concert te beluisteren.Kennis gemaakt met de bandleden en van Amy Roberts de partijen gekregen, voor zover die althans nog bestaan. Huiswerk: leer het gehele programma uit het hoofd aan de hand van dit materiaal plus 2 dvd's en een CD. Tweede trompettist Peter Rudeforth zegt: "Welcome to the team" en talenwonder Barber begroet me zelfs in het Nederlands.


De maand februari is goedgevuld met 6 dagen per week optreden in de opera. Overdag en in de pauze alvast oefenen op de partijen voor de tournee in maart en 'savonds voor het slapen gaan nog even luisteren naar de CD.

3 maart - Eerste optreden met Barber in Künzelsau, in het zuiden van Duitsland. De band wordt vanuit Engeland ingevlogen, zelf kom ik per auto vanuit Keulen. De geplande repetitie kan geen doorgang vinden dus met twee nummers soundcheck moeten we het doen. Het spelen gaat goed, ben wel helemaal hyper wegens alle nieuwe indrukken. In de pauze zegt Bob Hunt tegen aanvoerder van de saxsectie Richard Exall: "I told you he would be great." Richard denkt 3 tellen na en roept dan uit: "No you liar, you said he would be shit!" Alle 3 moeten we verschrikkelijk lachen.

Tijdens het optreden komt er enorm veel steun van Richard en de andere rietblazer, David Horniblow. Niet alleen muzikaal, maar ook zaken als het juiste moment van opkomen en verlaten van het podium plus de choreografie worden snel maar uiterst effectief uitgelegd. Na afloop van het optreden complimenten van alle bandleden. Er is weinig gelegenheid om met Chris zelf te spreken omdat hij veel handtekeningen moet uitdelen.


Na dit debuut de terugtocht naar Keulen aanvaard om de laatste 4 voorstellingen in de opera te spelen.

Het tweede deel van de tour begint op woensdag 9 maart. Afgesproken is te carpoolen in Ulm,een stad wederom in het zuiden van Duitsland. We gaan verder naar Rosenheim in de auto van Richard Exall. Hij stuurt, links naast hem zit bassist Jackie Flavelle en ik mag naast Chris Barber op de achterbank plaatsnemen. Deze indeling zou de gehele komende week zo blijven wat de gelegenheid geeft urenlang met de beroemde bandleider te spreken. Per dag staat namelijk een verplaatsing van tussen de 200 en 650 kilometer op het programma. Met Flavelle is een stukje geschiedenis teruggekeerd. Deze Ier speelde in de jaren '67 - '77 al bij het orkest, maar moest daarna door zijn gezinssituatie afhaken.Jackie vertelt dat hij daar toendertijd 2 jaar buikpijn van heeft gehad.

Over het begin van zijn carrière vertelt Barber dat er eind jaren '40 in Europa twee serieuze voorbeelden waren, Humphrey Lyttelton en the Dutch Swing College Band. Hij is er dan ook trots op in 1949 bij het DSC te hebben ingevallen tijdens een tour in Engeland.

Het optreden in Rosenheim vindt plaats in het prachtige klassieke Ballhaus. Een genot om inzo'n fraai decor te mogen spelen.


Op 10 maart gaan we naar Oostenrijk. Het eerste concert in dit bergland zal plaatsvinden in Gleisdorf. Onderweg spreken we onder andere over de grootste hit die de band ooit had, de in 1956 opgenomen compositie van Sidney Bechet: Petite Fleur .Doorgaans wordt dit stuk in G mineur gespeeld, echter bij deze band tot op de dag van vandaag een half toontje hoger, Ab mineur klinkend. Dit houdt in dat de klarinet maar liefst 5 mollen aan de sleutel heeft. Monty Sunshine, de toenmalige klarinettist had een platenspeler die net even iets te snel draaide. Hierdoor studeerde hij het te hoog in en men heeft het toen maar zo gelaten. Dat het nummer vervolgens een miljoenenhit werd, heeft daar volgens Barber wellicht zelfs mee te maken. Het klinkt net even iets briljanter zo.

Prachtige verhalen vertelt hij verder over de tournee die de band in 1959 maakte door de Verenigde Staten. Professioneel in dat land optreden als niet Amerikaan was en is ontzettend lastig, maar op basis van culturele uitwisseling is het destijds gelukt. Woody Herman kwam met een selectie van zijn band naar Engeland, Barber mocht ruim 40 concerten doen in de VS. Woody moest zijn big band aanvullen met Engelse musici, want er moesten volgens de regeltjes exact hetzelfde aantal musici uitgeruild worden.


Het tweede Oostenrijkse concert is op 11 maart in Steyr. De zaal heeft een wat merkwaardige achthoekige vorm dat voor een vreemde echo zorgt. Banjoist Joe Farler heeft hier tijdens de repetitie nogal last van, maar gelukkig zorgt tijdens het optreden het publiek voor precies de juiste demping.

Het repertoire van de huidige Big Chris Barber Band bestaat uit 4 categorieën. De herkenningstune Bourbon Street Parade en de toegiften worden in New Orleans brassband style gespeeld. In de eerste set zit een blok in sextetbezetting, die de dagen van de Barber band in de begintijd doet herleven. Na de pauze komt de blues in verschillende gedaantes aan bod: in swingstyle, langzaam en mineur, jump zoals de vooroorlogse Harlem Hamfats, a la Miles Davis en een grappige: Cornbread, Peas and Black Molasses , met een thema bestaande uit 9 maten! De vierde categorie is wellicht het meest uitdagende: virtuoze Ellington composities uit de jaren '20 en '30 zoals Jungle Nights In Harlem en Hot And Bothered . Trombonist Bob Hunt heeft deze arrangementen aangeleverd en omdat de band tegenwoordig met 7 blazers aantreedt kunnen ze heel authentiek worden gespeeld. Hij is specialist in het spel met de plunger. Eerste trompettist Mike Henry schittert bijzonder in dit genre. Hij speelt ook de plungersoli, levert een feilloze lead en is tevens highnote specialist. In Engeland noemen ze hem niet voor niets "Magic Henry".


Op 12 maart is de voorstelling in het Konzerthaus van Klagenfurt. De Oostenrijkse televisie komt langs en maakt opnames van een deel van de nummers.

Ik wist al dat ik niet de eerste Nederlander zou zijn om bij dit orkest in te vallen. Barber kan me nog exact vertellen wat de omstandigheden waren toen in 1965 Louis de Lussanet meespeelde. Louis was net enkele maanden bij de DSC band weg toen de vaste drummer van Barber zijn hand blesseerde door een te haastig dichtgeslagen autoportier. Voor een live concert met TV opnames in Berlijn is de Lussanet toen mee geweest.

Het aardige aan een tournee als deze is dat je na een aantal dagen steeds meer van de muziek kunt genieten. De eerste voorstellingen ben je alleen maar gefocust met je eigen partij zo goed mogelijk aan het geheel toe te voegen. Nu begint het me pas op te vallen dat de bandleider, een maand voor zijn 81ste verjaardag met zo'n enorme drive speelt. Zijn geweldig swingende ritmische opvatting is altijd één van zijn sterkste punten geweest, het is enorm genieten om dat van zo nabij te kunnen ervaren. Verder is hij in alles nog steeds heel gedreven, scherp en professioneel. Het publiek moet een fantastische avond hebben, maar ook de muzikanten die in zijn orkest spelen mag het aan niets ontbreken. Prima hotels, roadies die de instrumentkoffers vervoeren en klaarleggen, een eigen geluidsvrouw: Becky Evans en een lichttechnicus: Gary Jones, het kan niet op. Ook een compliment waard voor het in Wageningen gevestigde management.


De volgende dag wacht ons de grootste verplaatsing, Liechtenstein is zo'n 650 km verderop. Onderweg wordt me gevraagd of ik in mei ook beschikbaar ben om mee te spelen in Engeland, de daarbij gebruikte woorden: "It would be nice to have someone with your specific capacities around", klinken als muziek in de oren!

Over het klimmen der jaren vertelt Barber dat het af en toe lastig is om niet teveel in het verleden te blijven hangen. Eind jaren '50 trok hij in de Deutschland Halle te Berlijn maar liefst 15.000 toeschouwers. Nu zijn de theaterconcerten nog met regelmaat uitverkocht, maar de trombonist moet er soms aan denken ook daar van te blijven genieten. Tijdens de tour lijkt het ook wel dat Barber zich het meest in zijn element voelt bij grote, goed gevulde zalen.

Het concert in Liechtenstein is misschien wel het zwaarste van deze tour. De akoestiek van dit kleinere theater werkt wat minder mee en met deze reis was het toch al een lange dag.


Terug in Duitsland vindt op 14 maart het laatste optreden plaats in Ulm. Voor de Duitse drummer Gregor Beck een goede gelegenheid om veel familie en vrienden uit te nodigen. Waarschijnlijk was dit de beste voorstelling van de gehele tour, die gelukkig op video is vastgelegd. Zie ook de YouTube video: Big Chris Barber band 2011 Jungle Nights in Harlem . Voorafgaand aan het concert nodigt de orkestleider me uit in zijn kleedkamer en onstaat de volgende conversatie:

- CB : "You must be a trusting person, since you never mentioned the subject money....."

- BB : "Well, it was an honor and a great pleasure".

- CB : "That is very kind of you te say, but it doesn't pay the bills!"

Dit soort plezierige gesprekken, het enorm hoge muzikale peil dat tijdens deze tour is gehaald en de vriendschappelijke sfeer binnen de band maken dat deze tour één is geworden om nooit te vergeten.


  

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~




Dutch Swing College Band 65 jaar, een fenomeen.


  


Op 5 mei 2010 bestaat het vlaggenschip van de Nederlandse traditionele jazzmuziek, the Dutch Swing College Band exact 65 jaar. Een feit dat wordt gevierd met een uitgebreide Nederlandse theatertour en een speciaal jubileumconcert op 8 mei in Den Haag. Wellicht een goed moment om eens stil te staan bij de verdiensten van dit orkest, dat inmiddels gerust een instituut genoemd mag worden.
Ooit heeft iemand in een schoolboekje over muziekgeschiedenis geschreven dat dixieland muziek een slap, blank aftreksel was van de oorspronkelijke zwarte New Orleans Jazz. Zwarte jazz was goed, blanke fout. Dat dit wel heel kort door de bocht is stond er helaas niet bij vermeld en dat het grootheden zoals Bix Beiderbecke, Adrian Rollini Jack Teagarden en Artie Shaw ernstig tekort doet al helemaal niet. Hele generaties zijn gaan geloven dat dit standpunt ook simpelweg waar is, hierbij vergetende dat het hele concept van de jazzmuziek is gebaseerd op een mix van Afrikaanse en Europese invloeden die samenkwamen in de Verenigde Staten. De instrumentatie en harmonische principes zijn bijvoorbeeld overwegend van Europese origine.
Toen in de laatste fase van de tweede wereldoorlog de plannen voor het Dutch Swing College werden gesmeed, kwamen een aantal musici uit Den Haag bij elkaar met belangstelling voor verschillende vormen van Jazz. Slagwerker Tonny Nüsser wilde graag in de stijl van het Benny Goodman sextet spelen, pianist Frans Vink was dol op Ellingtonia en rietblazer Peter Schilperoort hield van Chicago jazz, waarmee hij reeds bij de Swing Papa’s kennis had gemaakt. Geen van de drie stijlen werd op dat moment in Nederland veel gespeeld. De muzikale doelen waren toen dus voor ons land best vooruitstrevend.
Eén van de eerste opnames uit eind 1945, Ellington’s compositie Hodge Podge ,laat dan ook een klein swingorkest horen, geharmoniseerde riffthema’s met een ritmesectie die in vieren speelt, het slagwerk speelt echt in swingopvatting.
Toen Peter Schilperoort na korte tijd de muzikale leiding overnam van Frans Vink ging de repertoirekeuze logischerwijze meer uit naar polyfone jazzmuziek uit de jaren ’20 of soms zelfs nog iets ouder. De band kon onmiddellijk contracten afsluiten voor langere periodes en was veel op de radio te horen, waardoor snel landelijke bekendheid werd verkregen. De troepen die Nederland hadden bevrijd werden blij van hun “eigen” muziek, de Nederlandse bevolking zag het als de muziek van de bevrijders en had bovendien wel iets te vieren! De band was dus op het juiste tijdstip op de juiste plaats.
Na korte tijd groeide het DSC uit tot een octet, 4 blazers en 4 musici in de ritmesectie.
Doordat werd gekozen om veel met 2 klarinetten collectief geïmproviseerd te spelen, iets wat nog niet zo heel vaak was gedaan in de jazzgeschiedenis, ontstond al snel een eigen, herkenbaar geluid. Zeker ook omdat dit gezamenlijke improviseren op hoog niveau gebeurde. De stemmen zitten nooit in elkaars vaarwater en er worden nagenoeg geen fouten in de stemvoering of harmonische keuzes gemaakt. Het is bijna alsof de contrapuntregels van Bach worden toegepast in een improviserend gezelschap. Aan de opnamen uit eind ’40 en begin ’50 hoor je dat de musici graag samen willen spelen, willen mengen, in balans willen spelen. Er is een hecht team ontstaan. Een belangrijke inspiratiebron in deze tijd wordt King Oliver’s Creole Jazzband, New Orleans Jazz dus. In navolging daarvan wordt regelmatig met 2 trompetten gespeeld. Op het repertoire komen naast jazzklassiekers ook eigen, originele composities van diverse bandleden.

Een muzikaal hoogtepunt vastgelegd op de plaat is de samenwerking met New Orleans gigant Sidney Bechet: Dutch Swing College Blues uit 1951. Deze compositie van Bechet heeft in het thema een simpel motief voor de koperblazers met plunger. Deze wordt echter in een ongewoon laag register met een octaaf verschil gespeeld. De rietblazers Bechet, Schilperoort en Dim Kesber spelen de melodie hierboven driestemmig. Enkele korte en goede solo’s van de DSC blazers verdeeld over 2 bluesschema’s volgen, waarna Bechet met een weergaloze bijdrage het solistische deel afmaakt, gevolgd door het slotthema. Een verdienste van de DSC blazers is dat ze in staat zijn om solistisch een stap richting Bechet te maken. Deze op zijn beurt mengt voor zijn doen zeer goed met het ensemble, iets wat met zijn solistische temperament niet altijd voor de hand ligt. Al met al is het één van de meest indrukwekkende instrumentale bluesopnamen ooit in ons land gemaakt.
Een andere verdienste van het orkest in deze tijd zit in de ritmesectie, met name stukken met meerdere thema’s worden erg goed opgebouwd. Arie Merkt en zijn opvolger André Westendorp spelen echt traditionele jazz op het slagwerk en bassist Bob van Oven bouwt de stukken goed op met de juiste indeling van wat hij in two-beat speelt en wat in vieren. Zoals gebeurde bij Jelly Roll Morton’s Red Hot Peppers in diens hoogtijdagen. Als je al kritiek wilt leveren op de band uit de jaren ’50 zou je het kunnen zoeken in dat men soms wat aan de snelle kant speelde. Ongetwijfeld had deze tomeloze energie, met jeugdig enthousiasme gebracht, een belangrijk aandeel aan het succes op de talrijke studenten- en dansfeesten waarin die tijd veel werd opgetreden.
Een nieuw hoogtepunt volgt in 1953, het orkest scoort een hit met Doctor Jazz, gezongen door de Engelse zangeres Neva Raphaello. De band heeft in latere jaren met betere zangeressen gewerkt, maar deze uitvoering staat als een huis. Raphaello’s zang, lijkend op bluesshouting,draagt bij aan een gevoel van authenticiteit. Opmerkelijk aan de opname is dat er geen enkele instrumentale solo in voorkomt. Het is één en al collectieve improvisatie, zelfs tijdens de zang volgt de ene spontane fill na de andere. De al geroemde DSC spirit is volop aanwezig, evenals de goede opbouw door de ritmesectie.
Zoals duidelijk mag zijn was dit een echt ensemble. Hoewel mensen als Schilperoort en trompettist Kees van Dorsser zeker in staat waren capabele solo’s te spelen, was dat niet hetgeen waar het bij dit orkest om draaide.
Dit zou gaan veranderen vanaf 1955 toen Peter Schilperoort het orkest verliet om zich te richten op zijn maatschappelijke carrière. Zijn opvolger, klarinettist Jan Morks,was een briljant improviserend solist die in zijn bijdragen vaak nog net een streepje meer kon geven dan de anderen. De drive van de band bleef behouden, echter door het ontbreken van een leider met zoveel visie als Schilperoort ging wel iets van de fijne finesses in de arrangementen verloren.
Ook in deze periode bleef origineel repertoire gespeeld worden, bijvoorbeeld een stuk als African Queen van Sandy Brown komt uit deze tijd.

Grotere veranderingen ontstaan zo rond 1960. Bij een gedeelte van het orkest bestaat de wens om er een volledig beroepsorkest van te maken. Met name banjoïst en zakelijk brein Arie Ligthart ziet daartoe mogelijkheden. Voordien zal heus niet overal gratis zijn opgetreden, maar veel bandleden combineerden tot dan toe het musiceren met een studie of vaste dienstbetrekking. Een ieder ging met zichzelf ernstig in gesprek of ze de toekomst als fullprof zagen zitten met als gevolg dat een belangrijk deel van de groep stopte. Binnen twee maanden tijd namen Wim Kolstee, Joop Schrier, Wybe Buma en Dim Kesber afscheid. Van the Skymasters kwam de nieuwe trombonist Dick Kaart, kornettist Oscar Klein arriveerde uit Oostenrijk, en Peter Schilperoort keerde terug. De band ging zonder pianist verder. In de muziekwereld hing meer verandering in de lucht, Rock 'n Roll muziek werd snel populair en dat maakte dat Jazz minder in het middelpunt van de belangstelling kwam te staan. Het DSC ging geleidelijk minder op feesten spelen en meer in concertsituaties, die echter steeds verder van huis lagen.
Uiteraard hadden deze veranderingen invloed op de muziek. De nieuwe orkestleden waren technisch beter geschoold dan de voorgangers, maar logischerwijze minder gewend om samen te spelen. Bovendien moest er om luisterconcerten interessant te houden meer afwisseling qua repertoire komen. Reeds in 1946 had de band eerste pogingen ondernomen om Latijns-Amerikaanse muziek in het programma op te nemen. Na een zeer uitgebreide tournee door Zuid-Amerika werden ook platen gemaakt met muziek in deze stijl: South American Tour en Brazil als bekendste opname.
Een gevolg was een minder ensemble- en meer solo georiënteerde vorm van musiceren. De ritmesectie ging geleidelijk aan moderner spelen, regelmatig speelde de drummer het begeleidingsritme op het ride-bekken, iets wat eigenlijk uit de tijd van de swing/bebop komt. Eigenlijk dus weer Tonny Nüsser’s droom uit 1945! Intussen boterde het tussen Schilperoort en Morks niet meer zo goed, zoals Oscar Klein met oog voor de capaciteiten van beiden verzuchtte: “Jan en Peter waren te verschillend…”
Het grootste deel van de jaren ’60 heeft het orkest na het vertrek van Jan Morks als sextet gespeeld, swing repertoire met gitaar,traditionelere jazz met banjo. Het werden weer 7 musici toen in 1969 Bob Kaper als vast bandlid op klarinet en altsaxofoon toetrad. Deze terugkeer naar 2 rietblazers gaf weer meer mogelijkheden tot afwisseling. Bovendien is Kaper een begenadigd arrangeur en auteur van tal van originele composities die de band regelmatig heeft vastgelegd op CD. Kaper heeft eind jaren ’70 een succesvolle nevenactiviteit gehad met het Flashback Kwartet, waarmee swing à la Benny Goodman werd gespeeld. Regelmatig kreeg Kaper de ruimte van Schilperoort om deze kwaliteiten te etaleren tijdens concerten van het DSC.
Het moet zeker worden gememoreerd dat meer jonge muzikale talenten van Schilperoort de kans kregen om zich te tonen en te ontwikkelen bij het orkest. Op filmmateriaal is duidelijk te zien hoe trots hij was als één van de jonkies een mooie solo speelde.
Het voert te ver om op deze plaats alle wisselingen in de bezetting te noemen, maar enkele talenten die reeds op jonge leeftijd de kans kregen om te schitteren zijn bijvoorbeeld trompettist Ray Kaart, Louis de Lussanet op drums en later trombonist Bert Boeren. Ook van belang is dat de banjo/gitaar positie in 1979 wordt ingewisseld tegeneen pianist, Fred Pruim/Fred Murray alias McMurray.
Qua aandacht in de media verandert in de loop der jaren het nodige, de muziek voor de jeugd is van Rock 'n Roll langzaam overgegaan in pop. Het DSC staat niet meer in het middelpunt van de belangstelling, maar is wel een blijvende icoon in het totale muzikale landschap. TV optredens tijdens evenementen als het Eurovisie Songfestival zijn prestigieuze momenten. Ook de internatonale tournees worden steeds groter en hebben het orkest over de hele aardbol gebracht. De andere kant van de medaille is dat Nederland te klein is geworden om een traditioneel jazzorkest met deze professionele kwaliteiten fulltime op de been te houden.

Een wel heel bijzonder evenement vindt plaats in 1980 als het orkest 35 jaar bestaat. In een eenmalig concert worden bijna alle bezettingen vanaf 1945 nog eens verzameld, die een chronologisch overzicht geven van wat er zoal is gepresteerd in de loop der jaren. Uitgebreide TV aandacht en een live opgenomen dubbel LP met hoogtepunten zijn het resultaat. Het is opvallend dat juist in livesituaties zo vaak goede opnames worden gemaakt, iets wat gedurende de gehele carrière van de band het geval is geweest. Zie ook de actuele TV/DVD opnamen van de Jazzwoche Burghausen uit 2007.
Vanaf 1980 neemt de aandacht in de Nederlandse media voor het DSC langzamerhand af, iets wat overigens voor de meeste vormen van muziek met akoestische instrumenten geldt, inmiddels zelfs al in de popmuziek. Playbackshows, meespeelbanden, karaoke, drumcomputers, synthesizers en dergelijke zijn klaarblijkelijk interessanter voor de gemiddelde Nederlander. Of zou het wellicht gewoon goedkoper en makkelijker zijn voor de producenten? Nu, zoveel jaren later duiken op bijvoorbeeld YouTube steeds meer fragmenten op van buitenlandse TV zenders waaruit blijkt dat dit geen enkel verband heeft met de muzikale prestaties van de DSC band. Zo bestaat er een weergaloze ZDF Jazz Club TV opname uit 1988 met de titel Original Dixieland One Step .Het collectief staat als een huis en er volgen buitengewone solistische bijdragen door Bob Kaper en kornettist Sytze van Duin. Het trombonespel hier van Bert Boeren kan alleen maar worden omschreven als uitmuntend. Buitengewoon jammer dat zoiets nooit in ons eigen land op TV was. In het repertoire blijft ruimte voor allerlei creatieve bijdragen. Zo componeerde Henk Bosch van Drakestein ooit een solowerk met tal van unieke effecten voor zijn opvallende 5 snarige van Zalinge bas. Muziek die eerder verwantschap heeft met Miles Davis dan met dixieland. Een welkome afwisseling tijdens concerten. Vermeldenswaardig is verder het hechte teamwork van deze bassist met drummer/showman Huub Jansen.
In 1990 komt Peter Schilperoort te overlijden, bijna in het harnas. Aangezien een dergelijke persoonlijkheid niet te vervangen is, wordt in eerste instantie geen opvolger aangetrokken, een te begrijpen keuze. Bob Kaper neemt het muzikale leiderschap over, bassist Adrie Braat na verloop van tijd het zakelijke deel. Eind jaren ’90 betuigt het orkest een eerbetoon aan Duke Ellington, een concertserie en CD met uitsluitend Ellingtonia, met toch weer één originele compositie in vergelijkbare stijl van de hand van Michael Varekamp. Na zovele jaren toch weer de wens vervuld van Frans Vink uit 1945!

Samenvattend kun je stellen dat de leden van het DSC in de loop der jaren heel wat creatieve experimenten hebben ondernomen. Swing, Blues, New Orleans,Dixieland, Ellingtonia, Latin, af en toe een vleugje moderne jazz, het is allemaal voorbij gekomen. Met de originele composities die voor het ensemble zijn geschreven kunnen tal van CD’s worden gevuld. Hoe mooi en muzikaal waardevol sommige stukken van met name Bob Kaper ook mogen zijn, de massa verlangt naar het verleden en de klassiekers. Het publiek is in wezen veel behoudender dan de musici zelf ooit geweest zijn. De term dixieland beschrijft maar ten dele wat er zoal is gepresteerd. De duiding uit het muziekschoolboekje:“slap aftreksel van de New Orleans muziek” is bij dit orkest echter totaal misplaatst! Geen enkele Nederlandse jazzartiest heeft,internationaal gezien, op de lange termijn dergelijk grote successen gevierd als het DSC, sterker nog, geen enkel klassiek orkest of popartiest uit ons land kan zo’n indrukwekkende internationale CV overhandigen. Iets om rustig trots op te zijn!
Aangezien het DSC ook bedrijfsmatig gezond moet blijven is in 2000 het Back To The Roots proces ingezet. Met de komst van de gebroeders Kaatee keert de traditie van de 4 blazers in de frontline uit de roemruchte jaren ’50 terug. Frits Kaatee is in 65 jaar pas de vijfde rietblazer die vast bij het orkest speelt en zijn broer George de vierde vaste trombonist die wezenlijke bijdragen levert. Bij de trompetten was meer verloop, maar de huidige speler, Bert de Kort heeft de meeste dienstjaren van allemaal. De ritmesectie speelt weer met piano en banjo. Het orkest is inmiddels bijna verplicht om zijn eigen traditie in stand te houden. Vergelijk de parallel met Ellington, die later in zijn carrière medleys van stukken uit de Cotton Club periode moest blijven spelen omdat de luisteraars dat nu eenmaal wilden horen. Toch vindt de DSC band op zijn meest recente CD weer ruimte voor een nieuw uitstapje, Nuages van Django Reinhardt, de invloedrijkste jazzvernieuwer van buiten de VS! Laten we zorgen dat er van de zijde van het publiek, dat zijn gewoon wij allemaal met elkaar, en vanuit organisatoren van concerten en muziekfestivals genoeg draagvlak is om dit stuk culturele historie een plaats op de agenda te blijven geven.